Nederland gidsland?
Er is de laatste tijd meer aandacht voor het belang van ‘prenatale kinderbescherming’: maatregelen die al vóór de geboorte kunnen worden genomen om te voorkomen dat een kind beschadigd of in onveilige omstandigheden aan het leven moet beginnen. Omdat die maatregelen onvermijdelijk inbreuk maken op de zelfbeschikking van vaak kwetsbare zwangere vrouwen, maar ook omdat het gaat om de bescherming van een kind dat nog niet geboren is, is er over de zorgvuldige vormgeving van deze nieuwe vorm van kinderbescherming zowel ethisch als juridisch nog veel discussie.
Inleiding
In dit artikel doen we drie dingen. We beginnen met twee beschrijvende paragrafen. In de eerste schetsen we de in Nederland gegroeide praktijk, die maatregelen omvat als ondertoezichtstelling van een nog niet geboren kind en dwangopname van (of andere vormen van verplichte zorg voor) zwangere vrouwen met een psychische ziekte of een verslavingsproblematiek, en waarin sinds kort zelfs verplichte anticonceptie (mede) ter bescherming van een nog niet eens verwekt kind niet meer onmogelijk lijkt. In een tweede paragraaf geven we een korte samenvatting van de recente Belgische voorstellen om bij dat Nederlandse voorbeeld aan te sluiten en het kritische commentaar daarop van de Belgische Raad van State. In een derde paragraaf (‘Discussie’) komen we met ons eigen commentaar. We betogen dat de Nederlandse praktijk in conceptueel opzicht onhelder is en dat de rechter het moet doen zonder een kader dat de beoordeling van de noodzaak en proportionaliteit van dwangmaatregelen inzichtelijk maakt. We concluderen dat er, aan beide zijden van de grens, behoefte is aan een zorgvuldige wettelijke regeling voor alle vormen van prenatale kinderbescherming.