Dit nummer van het Tijdschrift Verslaving & Herstel is integraal gewijd aan ervaringsdeskundigheid, zowel vanuit onderzoeks- als vanuit ‘ervarings’-kant. Hoe mensen met een verslaving hun probleem en vooral de hulp daarbij ervaren, is waar het om draait.
De verslavingszorg kent een lange geschiedenis van lotgenotencontact, zoals de Anonieme Alcoholisten (AA), Narcotics Anonymous (NA) en Gamblers Anonymous (GA). In deze zelfhulpgroepen steunen mensen met een verslavingsgeschiedenis mekaar. De eerste drugvrije therapeutische gemeenschappen zijn door ex-verslaafden opgericht en nu nog spelen zij een centrale rol in het therapeutische gebeuren. In de laagdrempelige verslavingszorg werd dertig jaar geleden reeds samengewerkt met (ex-)gebruikers voor specifieke projecten, om zo de meest kwetsbaren te kunnen bereiken. En de methodiek ‘harm-reduction’ past helemaal in de herstelvisie.
Het feit dat ervaringsdeskundigheid toenemende aandacht kreeg in de algemene geestelijke gezondheidszorg, heeft geleid tot een duidelijkere omschrijving, mogelijke functies en taken, een gestructureerde opleiding en dus ook erkenning van ervaring als een belangrijke tool in de zorg.
De inzet van mensen met ervaringsdeskundigheid is een verrijking van het aanbod, maakt de drempel voor zorgvragers soms wat lager en de relatie tussen zorgverlener en zorgvrager wat gelijker. Tegelijk zijn er ook risico’s. Kan de ervaringsdeskundige omgaan met de eigen kwetsbaarheid? Hoe zorg je voor voldoende veiligheid voor zowel de patiënten als de ex-verslaafden? Er is behoefte aan een kader, aan toetsbare kwaliteitsnormen, aan voortdurende inter- en supervisie.
Er blijven ook veel vragen. Als ervaringsdeskundigheid zelf een vaardigheid is, zal een doorgedreven opleiding die vaardigheid dan niet naar de achtergrond drijven? Wordt een ervaringsdeskundige, door in de zorg te staan, na enkele jaren niet een hulpverlener zoals iedereen?
In dit nummer leest u hoe ervaringsdeskundigheid ingezet kan worden in meerdere domeinen, hoe het er in de zorg concreet aan toe gaat vanuit het professionele standpunt, maar ook wat de ervaringsdeskundigen er zelf van vinden en hoe de familie dit beleeft. Vooroordelen blijken een hinderpaal in de praktijk. Nochtans toont onderzoek aan dat bijvoorbeeld het inzetten van een ervaringsdeskundige voor de opvang van een patiënt met een overdosis op een spoeddienst even effectief is voor de afloop als het inzetten van een maatschappelijk werker.
Zoals er geen twee identieke verslaafden bestaan, zijn er ook geen twee identieke ervaringsdeskundigen. Dat maakt het boeiend en gevarieerd maar ook uitdagend. Meer onderzoek zal nodig zijn om de nodige structuur en bijscholing te bieden zonder de essentie kwijt te spelen: mensen ondersteunen in hun weg naar herstel met de specifieke vaardigheid, gebouwd op de eigen gebruikservaring.
Veel leesplezier.
Frieda Matthys, hoofdredacteur